Ik heb Napels gezien zonder de Vesuvius te beklimmen. Ik heb in Lake Toba gezwommen zonder me om zijn ontstaan te bekommeren. Pas sinds ik er voor kinderen over schrijf, ben ik als een jongetje zo blij met vulkanen.

Sindsdien moest ik het doen met een vaag kratermeer in de Eifel en het geologisch natuurlijk geweldige IJsland. Maar een lekkere steile stratovulkaan zat er niet bij. Dat heb ik afgelopen maand definitief goedgemaakt.Toen we van Jakarta naar Jokya vlogen priemden de drieduizenders al boven de wolken uit. Aan de voet van de Merapi vertelde ik de kinderen opgewekt dat deze nog maar kort geleden honderden slachtoffers had gemaakt. Maar goed dus dat er langs de helling vluchtroutes stonden aangegeven en bunkers klaarstonden om te schuilen.

Met de trein naar Malang passeerden we met bijna ijzeren regelmaat schoolvoorbeelden van vulkanen die steil uit het vlakke land oprezen. Ik keek vaker op mijn vulkanenapp dan op Maps. Toen formuleerde ik de eerste wet van papa: hoe dikker de wolken, hoe groter de vulkaan die eronder schuilgaat.

Op de rand van de Tenger caldera overviel me eenzelfde soort ontroering als bij de eerste aanblik van Þingvellir: ik had er zoveel foto’s van gezien, zoveel over gelezen en nu was ik er echt. En het viel niet eens tegen. Verspreid in de sea of sand lagen her en der nog lavabommen die door de Bromo in het rond waren geslingerd. Ook het subtiele laagje as getuigde van recente activiteit. Maar pas echt overdonderend was het geraas dat uit de krater kwam en dat soms aanzwol om een extra puf uit de diepte aan te kondigen.

De andere topper van Oost Java is de IJen vulkaan. Compleet anders dan de Bromo, maar net zo indrukwekkend met dat geel van de zwavel en het blauw van het zure kratermeer. Maar wat voelt het raar om daar als toerist met de nieuwste iPhone foto’s te maken van het werkterrein van de mijnwerkers die voor een paar roepia hun lichaamsgewicht aan zwavel tussen de giftige dampen vandaan hakken en over de kraterrand sjouwen. Alsof ik op kantoor dagelijks een lading miljonairs over de vloer zou krijgen die met open mond naar mijn muren en mijn uitzicht kijken en me een habbekrats toeschuiven om een foto van mij aan het werk te maken.

Op Bali ging al onze aandacht uit naar zee en strand. Maar vanuit bijna elke hoek zagen we de Agung opduiken, 3031 meter schoon aan de haak. En voor wie dat nog niet genoeg is, zijn er altijd nog bordjes om je op de kracht van de aarde te wijzen.