Zo’n anderhalf jaar geleden ging hier de telefoon. ‘Met het Scheepvaartmuseum’. Of ik interesse had om een proefopdracht te doen, in competitie met vijf andere schrijvers. Nou, dat had ik wel. Al was het maar omdat museumteksten voor mij een beetje de krenten in de pap zijn.

Waar hem dat in zit? Nog meer dan voor andere media moet je veel zeggen in weinig woorden. Nog meer dan in een webtekst moet je de lezer bij de vodden pakken zodra zijn blik op de eerste woorden valt en die blik proberen vast te houden terwijl hij alweer verder wandelt. En veel meer dan bij andere media moet je beelden en objecten zelf hun verhaal laten vertellen en alleen uitleggen waar uitleg nodig is.
Maar misschien is het ook wel gewoon ordinaire egotripperij. Het formaat van de fonts waarin je tekst uiteindelijk komt te staan. De wetenschap dat er anders dan bij een boek of site voortdurend blikken over je woorden gaan, tijdens openingsuren tenminste. De vermelding van het Scheepvaartmuseum in je cv en in de nodige salvo’s aan trotse tweets.

De proefopdracht bestond uit ruwe conservatorentekst, in de verte nog geurend naar teer en levertraan. Teksten over navigatie-instrumenten, havens en walvisvaart die ik terug moest brengen tot tachtig woorden per stuk en geschikt moest maken voor respectievelijk kenners, leken en kinderen. Een weekend lang zat ik als een Michelangelo te hakken, beitelen en slijpen om de opgesloten tekst uit de stoffige woorden te bevrijden. Moest ik de scheepskamelen laten vallen of toch de drijvende bokken? Uiteindelijk kwam ik achter het beeldscherm vandaan met een document dat later recht bleek te geven op de hoofdprijs: het schrijven van de teksten bij tien tentoonstellingen in het Scheepvaartmuseum.

Maandenlang mocht ik me onderdompelen in scheepsjournaals, graadstokken en boegbeelden. Havenbaronnen, koopvaarders en atlasmakers. Versie 1 van de globes ging de deur uit terwijl versie 2 van de Gouden Eeuw alweer terugkwam. Via talloze blauwe en roze ballonnen discussieerde ik met conservatoren en andere deskundigen over de juiste balans tussen kennisoverdracht en leesbaarheid. Discussies waarin ik veel leerde over tekst en nog veel meer over scheepvaart. Langzaam kon ik steeds meer ballonnen doorprikken.

Terwijl de versienummers hoger werden, werd het e-mailverkeer rustiger. In december 2010 vocht ik om de laatste komma’s en deed ik nog een hartstochtelijk pleidooi om de al te gretig aan de kinderteksten toegevoegde uitroeptekens toch tenminste uit te dunnen. Toen werd het stil in mijn zo triomfantelijk aangemaakte mailmapje Scheepvaartmuseum. Ik kreeg last van ontwenningsverschijnselen, miste de zeelucht en het harnas van hooguit tachtig woorden.

Negen maanden moest ik wachten voor ik zeker was dat mijn teksten een aardig onderkomen hadden gekregen in Het Scheepvaartmuseum. Kijk maar.